De Dassanech

DSCN9916-De Dassanech woont in het zuiden van Ethiopië, in de delta van de Omo-rivier, noordelijk van het Turkana-meer. Het land is in tweeën gedeeld; na de regentijd in de hooglanden, stijgt het waterpeil van de Omo en overstroomt delen van de oostelijke kant. Als het water is gezakt dan blijft er vruchtbare grond over waar men sorghum, mais en bonen op verbouwt. Het westelijk deel is veilig om te wonen en het vee te weiden. Het vee, voornamelijk runderen, is zeer belangrijk in hun leven. Melk en vlees wordt genuttigd en van de huiden wordt kleding gemaakt, en gebruikt bij het bouwen van hutten. Een maaltijd bestaat in hoofdzaak uit sorghum pap, bereid met melk. Favoriet is een drank die getrokken is van het omhulsel van de koffieboon.

De vrouwen van de stam Dassenech dragen kleding gemaakt van geitenleer. Maar ook hier komt de moderne katoenen kleding steeds meer in zwang. De mannen en vrouwen dragen sieraden gemaakt van kralen, metaal en soms ivoor. Zowel de mannen als vrouwen zijn besneden. Dit is een voorwaarde voor het huwelijk. Het huwelijk kan worden gesloten op vier manieren. Het huwelijk wordt geregeld door de familie, een overeenkomst tussen de bruid en bruidegom, door ontvoering van de bruid of door vererving na het overlijden van een familielid. De bruidsschat wordt overgedragen in natura of contanten. Het wordt verdeeld onder de familieleden van de bruid, maar het grootste deel gaat naar de vader. (Foto’s:©LPA)

De Falasha’s

DSCN2375-

In het plaatsje Wolleka, een voormalig Falasha-dorp, houden we een korte stop. Er wonen nog maar enkele Falasha (Joodse Ethiopiërs). Foto: ©Lou Andreoli

DSCN2378-

In 1975 werd wettelijk vastgelegd dat het voor Falasha’s was toegestaan om zich in Israël te vestigen. In 1977 werden er rond de honderd Falasha’s met Israëlische militaire transportvliegtuigen, die wapens naar Ethiopië hadden vervoerd, naar Israël gevlogen en in 1985 vond de geheime operatie “Mozes’, een massale evacuatie naar Israël plaats. Lees meer in mijn boek: Ethiopië, Betam Konjo een belevenis

DSCN2379-

De Falsha’s zijn eeuwenlang vernederd en vervolgd, de situatie is ook nu nog niet rooskleurig voor ze. Zij leven in armoede en houden zich in leven door het verkopen van hand vervaardigde producten. Foto: Lou Andreoli

De Harari

DSCN1084-De bevolkingsgroep Harari leeft voornamelijk binnen de Jugal, de stadsmuur van Harar. De Harari verwijst naar zichzelf als ‘ de mensen die binnen de muur wonen’. Ze noemen hun manier van leven ‘de etiquette van de stad’ en hun taal ‘ de stadstaal’. De gemeenschap wordt gekenmerkt door een complex geheel van verplichtingen en banden, waarvan de basis ligt in verwantschap, vriendschap en maatschappelijke organisaties. Zo trouwt de Harari met een Harari. Vriendschappen zijn voor het leven. Harari-organisaties bieden zowel sociale, ceremoniële als economische steun voor gelegenheden als bruiloften, begrafenissen en culturele tradities.

DSCN1546

De vrouwen hebben een bepalende rol in de Harari-cultuur. zij leiden een krachtig en zichtbaar sociaal leven. Zij domineren de markt, zorgen voor de sfeer bij sociale gebeurtenissen en houden de kleurrijke klederdracht in ere. 

DSCN0359-


De traditionele wit-grijze huizen zijn soms groen geverfd als teken dat de bewoner naar Mekka is geweest. Lees meer over de stad Harar en zijn bewoners in mijn boek: ‘Ethiopië, ongekend anders’!

Arbore

DSCN0557-

Foto: ©Lou Andreoli

De Arbore, ook wel Hor genoemd, leven op de laagvlakten van de Woito vallei. De gemeenschap is klein; er wordt geschat zo’n 6.000 tot 7.000. Het zijn landbouwers, ook wordt er handel gedreven in zout, vee en wapens. Ze wonen in omheinde nederzettingen, verdeeld in groepen. Midden in het dorp is een open ruimte waar gezamenlijk wordt vergaderd en  de ceremonies en feesten plaatsvinden.

De gemeenschap is georganiseerd in leeftijdsgroepen, de bestuurlijke macht bestaat uit een generatiegroep van ouderen.

Arbore vrouwen trouwen als ze 15 tot 20 jaar oud zijn. De bruidsschat bestaat uit vee, honing, tabak en huishoudelijke voorwerpen. De vrouwen worden op hun huwelijksdag besneden.Tijdens de herstel-periode woont ze bij haar schoonmoeder, daarna wordt het huwelijk ingewijd.

Konso

DSCN1553-De Konso zijn voornamelijk landbouwers en verbouwen gierst, sorgum, katoen en maïs op de talrijke heuvels in de omgeving. Van een afstand zien de landbouwgronden er prachtig uit. De terrasvormige akkers liggen tegen de heuvels en zijn afgeschermd met muurtjes van steen om de aarde tijdens de regentijd tegen te houden. De mannen en vrouwen werken allebei even hard. Ze bewerken samen het land, spinnen en weven, maken aardewerk en gebruiken kalebassen om er melkkommen of boterbakjes van te maken. Deze producten worden op de locale markten verkocht. De mannen dragen felblauwe hoedjes terwijl de vrouwen opvallen door hun rokken die in lagen over elkaar heen vallen.

0717-18De Konso kennen een grafgebruik waarbij een houten beeld van de overledenen op zijn graf of een ander gekozen plek wordt geplaatst. Het beeld heeft een opgericht geslachtsdeel dat met één hand wordt vastgehouden. Op het voorhoofd zit een andere geërecteerde penis. De penissen beelden macht uit. Links naast het beeld staan kleinere beelden deze staan voor de mannen die de overledene tijdens zijn leven heeft gedood. Hun geslachtsdelen zijn geamputeerd. Rechts van het beeld staat veelal het beeld van zijn vrouw en of kinderen. Ook zijn er afbeeldingen van dieren, op elkaar gestapelde stenen, houten wapens, stokken en speren te vinden. Al deze waga’s, houten beelden, onderstrepen de verdiensten van de overledenen en zijn ‘kunnen’ als jager of krijger. De oude waga’s brengen veel geld op; liefhebbers van de Afrikaanse kunst hebben er veel voor over om er één aan hun collectie toe te voegen. Ze verdwenen dan ook regelmatig en werden het land uit gesmokkeld. Gelukkig is dit een halt toegeroepen en worden de oude waga’s zoveel mogelijk in een museum bewaard.

De Nyangaton

DSCN0904-

De vrouwen hebben het rijk alleen, de mannen zijn met het vee op stap.

DSCN0903-De bevolkingsgroep Nyangaton wordt ook wel Bume of Donyiro genoemd. Hun woongebied is gelegen langs de rechteroever van de Omo en langs de beide oevers van de Kibish. De veestapel heeft een belangrijke plaatst in de samenleving en staat centraal.

In het begin van het regenseizoen maart-april verzamelen de Nyangatom hun vee rond de Kibish en gebruiken de smalle strook vruchtbare grond langs de rivier om sorghum, mais, bonen en tabak te verbouwen. Omstreeks juni/juli kan geoogst worden. In augustus/september verplaatsen ze zich opnieuw nu langs de Omo om dan, als de weergoden gunstig gestemd zijn, ook daar te zaaien en te oogsten. Verder wordt er gevist en jagen ze op krokodillen en vogels. Er dreigt een te kort aan water en daardoor aan vruchtbare grond; er zijn stuwdammen in de rivier gebouwd en de regen blijft vaak uit. 

DSCN0063-De nederzetting wordt omheind door doornenstruiken, de ingang wordt ‘s nachts gesloten. Er leven acht tot twintig gezinnen in een nederzetting.

De vrouwen dragen schorten van leer, een korte voor en een langere achter. Vele kralensnoeren versieren de hals; de verschillende typen kralen en kleuren verwijzen naar de sociale status en afstamming. In de doorboorde onderlip worden ook versiersels gedragen zoals een pin of veer.

De westerse kleding doet ook hier zijn intrede maar veel mannen lopen nog traditioneel naakt met een kleine schoudercape. Net als de Hamar bevolking hebben de mannen veelal een kleikapsel.

De Banna

DSCN1527- De Banna zijn landbouwers en jagen op wild. Als er een buffel gedood is organiseren de mannen een dorpsfeest en voor die gelegenheid smeren ze zich volledig in met witte klei. De vrouwen hebben een met oker ingesmeerd vlechtkapsel en dragen een geitenvel, versierd met gekleurde kraaltjes, met een punt naar achteren. Sommige hebben een kam in het haar of een halve kalebas op het hoofd.

De Mursi

0715-10-ORG

De originele hoofdbedekking die vroeger gebruikt werd (2003).

De Mursi leven (hoe lang nog) in volle harmonie met hun omgeving. Ze leven van het verbouwen van mais en sorgum, het houden van vee en van de bijenteelt. Ook jagen ze op wilde dieren en verzamelen en verhandelen de producten van deze dieren. Er is nauwelijks contact met andere volkeren uit de omgeving. Ze bestrijden andere etnische groepen indien nodig met speer en Kalashnikov. Ze bewonen kleine igloachtige grashutten. De ingang van de hut is zo laag dat je ze alleen op handen en voeten kan betreden. Veiligheid is hier het doel.

DSCN9964-

’s Morgens vroeg, nog rustig, gewoon onder ons. De derde vrouw van links doet toch maar gauw haar schotellip in en het gele versiersel in het haar want de busjes met de toeristen kunnen ieder moment arriveren (2009).

DSCN9959-

In vol ornaat! (2010)

0715-07ORG

Normale opmaak (2003)

De Anuak

De Anuak-dorpen liggen net als de dorpen van de bevolkingsgroep Nuer, dicht bij de moerassige oevers van de rivier de Baro en zijn aftakkingen.

De Anuak zijn van oorsprong herders en boeren. De bevolkingsgroep heeft al veel ellende meegemaakt en nog steeds leven ze in moeilijke omstandigheden; velen worden verjaagd van het land waar ze al jaren wonen, de regering verhuurt het vruchtbare land aan buitenlandse investeerders, vaak staat er niets tegenover en komen ze terecht op onvruchtbare grond, ze worden gediscrimineerd door de andere Ethiopiërs en er is nauwelijks onderwijs.

Ze leven nu voornamelijk van de visvangst en proberen dit aan te vullen door sorgum en mais te verbouwen. De rivier is zeer belangrijk voor ze want zij voorziet in veel levensbehoeften: drinkwater, vis om te eten, zorgt dat de enkele mais- en sorgumplanten water krijgen maar levert ook water voor persoonlijke hygiëne en de was.(Foto’s:©Lou Andreoli)

 

Hamar

DSCN01

De Hamar- bevolking woont voornamelijk in de streek tussen Konso en de zuidelijke meren Lake Turkana en Lake Chew Bahir. Ze wonen in spitsvormige hutten die gemaakt zijn van gevlochten takken. Het zijn halfnomadische veetelers. In het leven van de Hamar draait alles om het vee. De status en de rijkdom van een man wordt afgemeten aan de grote van zijn veestapel. Het vee wordt niet verkocht om te eten, omdat dit de status van de man zou schaden. Er wordt op kleine schaal sorghum verbouwd, een gewas dat op mais lijkt, maar een pluim in plaats van een kolf met zaadkorrels heeft. Het uiterlijk is zeer belangrijk voor de Hamar. Ze vallen op door hun kleding, haardracht en lichaam versiering. Zowel de man als vrouw besteedt veel aandacht aan het uiterlijk.DSCN0255-n

De Dorze, wevers in bijenkorfhutten

4

Dorze vrouw Foto:©Lou Andreoli

De bevolkingsgroep Dorze wordt dikwijls ondergebracht in de Oromo-groep, maar zij maken deel uit van de Abessijnse etnische groepen. Het is een kleine groep, een schatting geeft enkele duizenden aan. Zij wonen in de omgeving van Arba Minch, ongeveer 500 kilometer zuidelijk van Addis Ababa. Een aantal woont in de laaglanden langs het Abijata-meer, maar de meerderheid heeft zich gevestigd op de hellingen van de berg Gughe (2900 meter), niet ver van het dorp Chencha. Vroeger waren het gevreesde krijgers en leefden zij van de landbouw. De schaarste aan langbouwgrond heeft hen tot de techniek van het weven gebracht waar ze nu voornamelijk om bekend staan. Een andere bijzonderheid van deze bevolkingsgroep is de huisvesting, hutten van circa twaalf meter hoog.

2

Dorze hut Foto:©Lou Andreoli

De hut lijkt op een soort bijenkorf, maar dan in de lengte uitgerekt en met aan de voorkant een uitstulping die gelijkenis vertoond met een grote neus. Het geraamte bestaat uit bamboestokken en voor de bedekking is organisch materiaal gebruikt, zoals enset-blad, riet en biezen.Er steken op verschillende hoogten horizontale stokken uit. Deze zijn voor het verplaatsen van de hut. Bamboe is namelijk gevoelig voor rotten en is bovendien populair voedsel voor termieten. Wanneer de onderkant van de hut is aangetast, wordt de wand ingekort. De stokken dienen als hulpmiddel om de hut naar een ander plekje te verhuizen. Nu wordt duidelijk waarom de hut zo hoog is. Door deze voorzorg kan de hut jaren mee.

De Woita

DSCN2594-

De Woita-bevolking leeft in Bahir Dar langs het Tana-meer. Tanqwa’s (boten) bouwen is hun specialiteit. Ze leven afgezonderd en zeer primitief. Op hun menu staat rauw nijlpaardenvlees. Deze gewoonte heeft er voor gezorgd dat ze door de andere Ethiopiërs als minderwaardig worden beschouwd. Ze worden de ‘zigeuners’ van het Tanameer genoemd.

De tanqwa, is een primitief bootje dat gemaakt is van papyrus. Het bestaat uit een samengebonden bundel papyrusriet van een paar meter lang en een halve meter breed. De bouw van een tanqwa kost twee mensen één dag werken. De boten kunnen maar twee tot drie weken worden gebruikt, bij regen of slecht weer zelfs nog korter. Het riet zuigt zich vol met water en als het verzadigd is, zinkt de boot. De eilandbewoners gebruiken de boten om te vissen en om hun producten zoals teff en koffie naar de markt in Bahir Dar te brengen.DSCN2593De Woita is, doordat ze als ‘uitschot’ worden gezien en minderwaardig worden behandeld, zeer arm. De kleren die ze dragen zijn niet meer als ‘vodden’. De hutten die ze bewonen zijn bouwvallig. We waren op bezoek in een klein dorpje (vijf hutten) en maakten kennis met een Woita-familie; een oudere blinde vrouw die ondanks alle ellende toch vrolijk was; haar dochter was tijdens het voeden van haar kindje druk bezig om manden te vlechten; kinderen speelden in het zand met steentjes en ander afval. Op deze plaatsen en momenten kopen we ‘dingen’ die we eigenlijk niet willen hebben, maar doen dit om deze mensen wat te laten verdienen zodat ze weer een aantal dagen kunnen eten.